|
|||||||
» Wortelboer, een geslacht uit de veenkoloniën «Vorige 1 2 3 4 5 6 ... 52» Volgende»
De inleiding van het boek 'Wortelboer, een geslacht uit de Veenkoloniën'
Verzameld zijn alle nakomelingen in mannelijke lijn; dit houdt o.m. in dat in beginsel iedere thans levende Wortelboer zich in dit boekje moet kunnen terugvinden. Wanneer dat in een incidenteel geval niet mogelijk is, behoort hij ongetwijfeld tot een Noord-Amerikaanse tak (zie generatie V.1-7), waarmee ik geen contact heb kunnen leggen. Het voorgeslacht van Jan Hindriks Wilkens is ons slechts bekend geworden uit zijn huwelijkscontract uit 1741. Daarin wordt hij genoemd een zoon van Hindrik Wilkes en Gijssel Jans Deuling en blijkt hij afkomstig te zijn van het dorpje Hee, waarmee bedoeld wordt Heede, dat op enkele tientallen kilometers van Oude Pekela, in Duitsland is gelegen. Een onderzoek in Heede leverde niets op, daar de R.K.-kerkboeken eerst in 1720 aanvangen.
Van de familie van zijn vrouw Geessien Geerts Wortelboer, is ons meer bekend. Uit het reeds genoemde huwelijkscontract bleek, dat zij een dochter was van Geert Geerts Wortelboer en Trijntje Freriks. Met uitzondering van verschillende akten uit de rechterlijke archieven uit de periode 1730-1733, die U hieronder gedeeltelijk vindt weergegeven, is het niet gelukt iets meer over Geert Geerts Wortelboer te vinden. Wel is dat gelukt met de familie van zijn vrouw Trijntje Freriks. Zij is een dochter van Frerik Jurriens en Antje Lammerts, terwijl ze ook nog een broer had, Lammert Freriks geheten. Deze Lammert Freriks was schoenmaker te Midwolda en huwde in eerste echt met Ida Meeuwes, die een dochter was van Meeuwes Popkes en Wija Berents; deze laatsten behoren tot het Veenkoloniale geslacht Smit, waartoe o.m. de scheepsbouwers Smit op Westerbroek gerekend moeten worden. Voor de tweede maal huwde Lammert met HilIena (Leentje) Harms, die vermoedelijk identiek is aan Helena Clasens met wie hij op 28 november 1740 een huwelijkscontract opmaakte te Midwolda. Uit zijn eerste huwelijk had Lammert Freriks een tweetal dochters: Trijntje en Wupke, beide Ned. Hervormd gedoopt te Midwolda, resp. 26 juni 1735 en 29 maart 1737.
Hier onder en ook elders in de tekst vindt U uittreksels uit de Rechterlijke Archieven. Zij dienen, voor zover mogelijk, tot verlevendiging van het beeld dat wij ons van onze voorouders kunnen vormen. Deze Rechterlijke Archieven (in de tekst afgekort als R.A.) bevatten koopakten, akten van verkoop, testamenten, huwelijkscontracten, boedelinventarissen en overdracht van goederen aan de kinderen, waar tegenover stond de verplichting van verzorging van de ouders. Voor ieder uittreksel staat een nummer, bijvoorbeeld R.A. V nn, dl. 3, met een datum. Indien men ge?nteresseerd mocht zijn in de complete akte, dan kan men hiertoe een verzoek indienen bij het Rijksarchief in Groningen, onder verwijzing naar het betreffende nummer.
R.A. V nn, deel 2, d.d. 2 nov. 1730 "Zijn perzoonelijk gekompareert de E Geert Geerts en Trijntje Vreeriks eheluiden in de Oude Pekel-a woonagtig welke bekenden en verklaarden voor haar en haare erfgenamen in goeden gereeden en in gangbaaren gelde ontfangen en op rente ge nomen te hebben kragt deeses van E Harm Hillebrants en zijn huisvrouw Maria Martina Heitzema meede in Oude Pee? kel-A woonagtig de somma van hondert Caroli gld de gld 20 stuvers brbs. Ondertusschen zal Antje Lammers zig voor bovengemelte capitaal met de renten van dien als selfs? schuldige borge inlaatende gelijk sij met haare naams onderschrijving bevestigt". Op 11 mei 1733 compareren dezelfde personen en lenen Geert Geerts en Trijntje Freriks nog eens 100 gulden. Zelfschuldige borg is wederom Antje Lammers wed van Frerik Jurrijns. R.A. V nn, deel 3, d.d. 11 aug. 1732 "Sijn persoonelijk gecompareert de E Geert Geerts en zijn huisvrouw Trijntje Freriks welke bekenden en verklaarden voor haar en haare erven steede vast en onwederroepelijk verkogt en overgedragen te hebben kragt deeses an de E. Jannes Hal en sijn huisvrouw Helena Elijsabet Overman te samen in de Oude Pekel A woonagtig een seker heemstede ten Noorden in de Oude Pekel A op NO 26 en 27 ongedeeld zijnde Stads gront zoo groot en klein als 't is beswettet zonder stok of mate daar op te leggen, hebbende ter naaster swetten ten Oosten Westen en Noorden verkoperen selfs ten Zuiden het Heerendiep. Deze koop dan nu is geschiet voor een somma van twee en veertig Caroli gld".
R.A. V t, deel 12, fol. 129 verso, d.d. 28 jan. 1754 Is gecompareerd "Geert Caspers in ql als last hebbende van Antien Lammerts kragt procuratie de dato den 27 Jan: 1754 bij mij zegelaer gezien en gelezen, dewelke bekende en belede in zijn qlteit voornoemt in donationem in oevelgang al hare goederen zoo losse als vaste te transporteren en over te dragen an haar dogters dogter en man Jan Hindrix (Wortelboer) en Geesjen Geerts Ehel: woonagtig in de Pekela, mits dat gen: Jan Hindrix en de eerste comparante in alles geduirende de tijds hares levens zullen onderhouden na stants gelegenheit, en na haar aflijvigheit behoorlijk ter aarden doen bestellen alles onder verbanden en submissie als na regte, voorts compareerden mede Popke Edskes Smit en Jan Phiebes voorst. over de kk (kinderen) van Lammert Freriks en Ida Meeuwes, beneffens Harm Thonnis en Conraat Berents voorstanderen over de kk van wijlen Lammert Frerix en Hillena Harms dewelke verklaarden in bovenstaande donatio en oevelgang genoegen te nemen".
R.A. V 11, deel 15, d.d. 18 okt. 1757 "Compareerde persoonlijk de E: Trijntje Frerix huisvrou van Geert Geerts en Jan Hindrix schoonzoon van bovengemelte medecaverende voor zijn schoonvader Geert Geerts in de 0: Pekel A woonagtig, welke verklaarden verkogt en in waren eigendom overgedragen te hebben sulx doende kragt deses an de E: Frerik Coerts Schurenberg en Elsije Roelfs Ehel: ,..., verkoperen haar huis en tuine staande en gelegen in de 0: Pekel A op NO 26 en 27 Noortkant, zijnde ongedeelde Stads grond, hebbende tot naaster swetten ten N: 0: en W: verkopers ten Z: de Here wech, ...., voor de zomma hondert en tagtig gld: (180 gld:)".
R.A. V nn, deel 7, d.d. 6 jan. 1759 "Personelijk zlJn gecompareert en verscheenen de E Jan Harms Swart en Marije Harms Ehel in de Borg Compagnie woonagtig welke bekenden en verklaarden voor zich en hare erfgenamen in goeden gangbaren gelde ontfangen en op rente genomen te hebben van de E. Trijntje Freriks weduwe van Geert Geerts W 0 rtel boe r (de naam Wortelboer is aan de tekst toegevoegd) in de Oude Pekel woonagtig de somma van 150 glden".
R.A. V 00, deel 15, d.d. 28 maart 1738 "Inventarium van zodane goederen als wijlen Ida Meuwes geweesene vrouw van Lammert Freeriks op haar doodelijk deces heeft nagelaten". Uit deze 5 pagina's tellende boedelinventaris blijkt dat aanwezig is o.a.: "een huis staande in Midwolda door Lammert Freeriks wordende bewoont" terwijl bij het "Holtwark" wordt genoemd "1 schoenmakers tafel met eenig schoenmakers gereedschap" .
R.A. V jj, deel 4, d.d. 28 nov. 1740 wordt een huwelijkscontract opgemaakt tussen Lammert Freriks en Helena Clasens. "Vrienden en dedigsluiden aan de mans zijde sijn geweest Antie Lammerts wed: van Frerik Jurriens als moeder, aan de vrouws zijde Harm Hindriks Clasens en Hindrik Harms als swagers".
R.A. V 00, deel 21, d.d. 19 dec. 1753 "Den 8 December 1753 het goed van Lammert Freriks in gevolge authorisatie geinventariseert". In de marge staat: copia aan Popka Edskes (Smit) en cons inqte en Jan Hindriks (Wortelboer) en cons in qte beneden Pekela. In de winkel bevinden zich o.a. het schoenmakers gereedschap, 76 leesten en een wark tavel.
Gesteld kan worden dat 95% van alle Wortelboeren in mannelijke lijn afstammen van Jan Hindriks Wilkens Wortelboer en Geessien Geerts Wortelboer. Uit dit echtpaar werden een vijftal zoons en ??n dochter geboren, die niet als zuigeling kwamen te overlijden. Alle vijf zoons traden in het huwelijk en zorgden voor een talrijk nageslacht. Om wille van de overzichtelijkheid heb ik deze stamboom gesplitst in vijf takken; iedere tak geeft de afstammelingen van ??n van de vijf zonen weer. De oudste zoon, Hindrik Jans Wortelboer, vormt met zijn nageslacht de eerste tak (zie blz. 23), de tweede zoon, Geert Jans Wortelboer, is het begin van de tweede tak (zie blz. 61), de derde zoon Jan en de vierde zoon Freerk Jans Wortelboer vormen met hun nageslacht de derde en vierde tak (zie blz. 81 en 83), terwijl de jongste zoon Wi?ke Jans Wortelboer met zijn nakomelingen de vijfde tak vormt (zie blz. 87).
Niet alle Wortelboeren behoren tot onze familie. In 1812 leefde in Amsterdam een jood genaamd Isa?c David; deze nam in dat jaar voor zich en zijn drie kinderen de naam Wortelboer aan. Een aanleiding voor juist deze naam zal hij gevonden hebben in zijn beroep: hij was namelijk groenteboer. Tot de tweede wereldoorlog waren verschillende van deze Wortelboeren werkzaam in de diamantindustrie. Ook zij zijn niet ontkomen aan Hitlers gruweldaden en in verschillende kampen om het leven gebracht. Slecht ??n gezin ontsprong de dans, waarschijnlijk omdat de vader met een "arische" vrouw was gehuwd; zijn kinderen waren R.K. opgevoed. Hoe het ook zij, van de joodse familie leeft alleen nog deze vader met zijn kinderen, waarvan slechts ??n zoon, Ruben, die gehuwd is en twee zoontjes heeft. (Zie ook blz. 123).
De naam Wortelboer komen we voor het eerst tegen in een akte uit het jaar 1759. In die akte wordt Trijntje Freriks de weduwe van Geert Geerts Wortelboer genoemd. De naam Wortelboer is aan de tekst toegevoegd; misschien werd bij het voorlezen van de akte door Trijntje Freriks opgemerkt dat wijlen haar man Wortelboer heette en werd toen de naam nog bijgeschreven.
Geessien Geerts Wortelboer, het enige kind van Geert Geerts en Trijntje Freriks, huwde in 1741 met Jan Hindriks Wilkens. J.H. Wilkens noemde zich sedert 1764 Wortelboer en komt sinds dien onder verschillende benamingen voor. De meest eenvoudige is wel Jan Hindriks, wat wil zeggen: Jan de zoon van Hindrik; een iets uitgebreidere versie is: Jan Hindriks Wilkens, wat wil zeggen: Jan de zoon van Hindrik en de kleinzoon van Wilke; ook wel wordt zijn naam voluit geschreven en wordt het: Jan Hindriks Wilkens Wortelboer; vooral de pastoor van Kleinerneer had daar een handje van. Zelf ondertekende hij in den beginne met Jan Hindriks Wilkens, terwijl hij later consequent Jan Hindriks of Hinders Wortelboer schrijft. (Zie ook blz. 123).
Een acceptabele verklaring van de naam Wortelboer heb ik niet kunnen vinden. Misschien, het is maar een veronderstelling, bezaten onze voorouders stukken land in de Oude Pekela ter ontginning, welke bezaaid waren met oude wortelstronken. (Zie ook blz. 124)
Zoals met alle namen in de 18e eeuw werd ook onze naam op verschillende manieren geschreven zoals Wortel Boer, Wortel Buir of Wortel Buur, al of niet aan elkaar geschreven.
Het stamechtpaar Wortelboer, Jan Hindriks Wilkens Wortelboer en Geessien Geerts Wortelboer, heeft zijn kinderen Rooms Katholiek opgevoed. Voor zover dit aan Jan Hindriks heeft gelegen is dit niet zo verwonderlijk. Hij was immers afkomstig uit Heede, een dorp in het Katholieke Emsland. Geessien Geerts werd echter te Oude Pekela gedoopt op 15 december 1720 in de Ned. Hervormde kerk. Nu is dit nog geen reden om dadelijk te gaan denken, dat zij niet R.K. zou zijn. Dergelijke dopen kwamen meer voor bij Katholieke families bij afwezigheid van een R.K. geestelijke. Toch ben ik van mening dat de eerste Wortelboer's, de ouders van Geessien Geerts Wortelboer, Ned. Hervormd waren. Behalve de doop van hun dochter in de Ned. Hervormde kerk kan hieromtrent worden aangevoerd dat de broer van Trijntje Freriks, namelijk de hiervoor al genoemde Lammert Freriks, in ieder geval zijn eerste huwelijk sloot met een niet-Katholiek meisje: Ida Meeuwes, terwijl de beide kinderen uit dat huwelijk in de Ned. Herv. kerk van Midwolda werden gedoopt.
Boeren, smeden/scheepsbouwers, en kooplieden, dat is een globale indeling van de beroepen en ambachten die onze voorouders in de 18e en 1ge eeuw uitoefenden. Zelfs in deze tijd is de vererving van een beroep van vader op zoon nog waar te nemen. Bij de boeren is dit een heel normale zaak, maar het feit dat in de eerste tak nog steeds smederijen en een scheepswerf voorkomen is toch wel een aardig gegeven. Was Jan Hindriks Wilkens, waarschijnlijk in navolging van zijn schoonvader Geert Geerts Wortelboer, werkzaam als ontginner in de Pekelder venen, zijn zoons werden al niet meer zonder uitzondering vervener. De oudste zoon, Hindrik, werd mr. smid in Oude Pekela en leverde o.m. het ijzerwerk voor de toen nog houten schepen. Zijn nakomelingen waren o.a. zoals hiervoor al gezegd smeden en scheepsbouwers. De tweede zoon, Geert, kocht van zijn ouders een boerderij in de Pekela; veel van zijn nakomelingen bleven het boerenbedrijf trouw, hoewel velen ,ten gevolge van de grote gezinnen genoodzaakt waren op andere wijze de kost te verdienen en op die manier nog al eens in de textiel terecht kwamen. De derde en vierde tak zijn al spoedig in mannelijke lijn uitgestorven, zodat deze in deze beschouwing niet aan bod komen. De vijfde zoon tenslotte, Wilke, kocht van zijn ouders eveneens een boerderij. Veel van zijn geslacht zocht het in de manufacturen, terwijl verschillenden hun heil zochten in de scheepvaart.
Onze voorouders woonden gedurende de 18e eeuw in de beneden Pekel A en wel aan de Noordkant, waarmee Oude Pekela wordt bedoeld, dit in tegenstelling tot de boven Pekel, waarmee Nieuwe Pekela vroeger werd aangeduid. In de 19e eeuw zwermden de Wortelboer's uit, niet alleen over Nederland, waarbij de nadruk lag op Amsterdam, maar ook naar Meppen, R?tenbrock en Bremerhaven in West-Duitsland. Ook nu nog wonen in R?tenbrock tientallen Wortelboer's. Enkele ondernemende familieleden belandden zelfs aan de overkant van de Atlantische Oceaan, zodat thans in Argentini? en in Michigan (USA) vele Wortelboer's wonen. Ook in deze eeuw vond er een trek plaats naar andere werelddelen. Nu richtte men voornamelijk zijn schreden naar Australi?, Nieuw Zeeland en Canada, terwijl tenslotte ook nog een tweetal zich naar Zwitserland begaf.
De Wortelboer's kunnen niet gerekend worden te behoren tot de alleroudste R.K. families in de Groninger veenkoloni?n. Jan Hindriks Wilkens kwam eerst in de dertiger jaren van de 18e eeuw naar Oude Pekela, terwijl sommige families al vanaf 1700 of soms nog eerder in de Veenkoloni?n woonachtig waren.
Wel zijn de Wortelboer's vermaagschapt aan zulke families; ik noem slechts de bekendste en meest sprekende namen, zoals Bodewes en Kuiper, Van der Werff, Drenth en Grol. Geslachten waaraan wij ook geparenteerd zijn en die eveneens sinds 1740-1750 in het veen woonden zijn bijv. Geling, Baalman, Poker en Vroom (dezelfde als de Vroomen van V en 0). Bij een eenvoudig kwartierstaatonderzoek (d.w.z. het opstellen van een lijst van voorouders van iemand, waarbij we zoeken naar de grootouders, overgrootouders zowel in mannelijke als in vrouwelijke lijn), dat ik verrichtte bij enkele Wortelboer's uit de onderscheiden takken, bleek dat wij vermoedelijk allen niet alleen aan elkaar verwant zijn door het stamechtpaar Wortelboer, maar dat we ook de zojuist genoemde families veelvuldig onder onze voorouders aantreffen.
In het begin van de 18e eeuw was het met de mogelijkheid tot kerkgang treurig gesteld. De Katholieken woonachtig in de beide Pekela's moesten naar Kleinemeer (een buurtschap bij Sappemeer) voor het bijwonen van de Heilige Mis. In 1767 begonnen de Katholieke Pekelder veenboeren te requestreren in Groningen om toestemming te verkrijgen tot het bouwen van een eigen kerk. Dit verzoek werd afgewezen. Toen de Pekelder Katholieken vervolgens in afwachting van gunstiger tijden de boerderij, voor de eredienst aangekocht, een beetje opknapten, werd deze in de nacht van 23 op 24 augustus 1771 door anti-papisten "met sulk een rasernie en helse furie" verwoest, "dat sij den eenen steen niet op den andere gelaten hebben". In 1773 kwam Willem V in ons gewest en nu deden de katholieken een poging om van de stadhouder de gewenste toestemming te verkrijgen. Onze Jan Hindriks Wortelboer en Jan Harms Poker overhandigden eigenhandig een request aan de Prins. Weer was het resultaat nihil. Maar de Katholieken versaagden niet. Eind 1782 probeerden ze het nog eens, dit maal bij het stadsbestuur van Groningen. Willem Cornelis Smit (die later als Grol voorkomt), Hindrik Everts Schuckenbruch, Jakobus Willems, Jan Hindriks Flas, Harm Berents Drent, Jan Kaspers Drent, Jan Hindriks Wortelboer, Harm Geerts Smit en Roelf Kaspers Drent, allen stadsmeiers in Oudeen Nieuwe Pekela zonden een schrijven, waarin zij betoogden, dat meer dan 70 gezinnen met bijna 200 kinderen nog altijd waren aangewezen op de parochie in Kleinemeer. Dit verzoek tenslotte werd ingewilligd. De nieuw te bouwen kerk mocht worden gebouwd te Oude Pekela op de "plaatse" land van Jan Hindriks Wortelboer.
Ook aan de Wortelboer's is de Tweede Wereldoorlog niet zonder problemen voorbij gegaan. Hierna worden slechts die familieleden genoemd, over wie de samensteller daaromtrent iets bekend is. Om te beginnen G.B. (Gerard) Wortelboer, arts te Ootmarsum, die samen met twee zoons, Rudolf en Ben, begin 1944 werd opgepakt wegens verzetsactiviteiten (hulp aan Franse en Engelse piloten bij het onderduiken). In Scheveningen hebben ze drie maanden gezeten. Zoon Ben werd vrij gelaten, omdat hij nog zo jong was. G.B. en zoon Rudolf werden op transport gesteld naar Bergen Belzen. Na enkele maanden werd Rudolf naar Neuengamme bij Hamburg gebracht, waar hij op 6 januari 1945 van honger is omgekomen; hij ligt daar in een massagraf begraven. Zijn naam komt voor op een gedenkzuil aldaar. G.B. werd overgebracht naar Oranienburg achter Berlijn en werd aangesteld als kamparts. Hij werd door de Russen bevrijd. Rudolf is posthuum en G.B. bij leven door de Republiek Frankrijk ge?erd met het Croix de Guerre avec palme, een zeer hoge onderscheiding. Een broer van G.B. , Rudolf (R.C.A.) tot voor kort woonachtig te Hilversum, werd op 1 febr. 1941 door de Duitsers met nog 34 andere ingezetenen van Hilversum gegijzeld, omdat een op wacht staande Duitse soldaat door zijn arm werd geschoten. Later bleek dat hij in slaap was gevallen en dat het geweer waarop hij leunde was afgegaan. Op 12 maart 1941 kwamen "de gijzelaars van Hilversum" weer vrij. Het laatste verhaal over een Wortelboer in de oorlog is te lezen in het boek "The Arms of Krupp" van de hand van William Manchester. Op blz. 479 komt de volgende passage voor: "On June 11, 1942 noting that a shipbuilder in Holland was resisting eviction, Krupp concluded, "Herr Wortelboer is a Dutchman. He plainly has no interest in furthering the interest of the German navy ... Dr. Knobloch will inform the navy of our way of looking at things, and will suggest that the navy exert a certain amount of pressure on Wortelboer"". Deze Wortelboer was Eiso (E.F.), die een scheepswerf heeft in Lobith en klaarblijkelijk niet hard genoeg voor de Duitsers werkte.
Het op de buitenkant van dit boekje afgedrukte wapen werd voor de hele familie ontworpen. De omschrijving luidt als volgt: "in zilver een blauwe golvende dwarsbalk vergezeld van drie groene klaverbladeren. Helmteken: een groen klaverblad Dekkleden: zilver en groen". Het wapen is geregistreerd bij het Centraal Bureau Voor Genealogie onder nr. 4.7.5904. Dit wapen versymboliseert de binding van onze familie met de scheepsbouw en de scheepvaart, tot uiting komende in de blauwe golvende dwarsbalk, terwijl hiermee tevens herinnerd wordt aan het riviertje de Pekel A, waaraan onze voorouders zich hebben gevestigd. De drie klaverbladeren zijn een verwijzing naar de landerijen, die door de eerste Wortelboer's in cultuur werden gebracht.
Ten slotte wijs ik U er op, dat de gegevens van de laatste 80 jaar, die niet op de archieven te vinden zijn maar op moeilijk toegankelijke gemeentesecretarie?n, voor een belangrijk deel door de betreffende familieleden zelf zijn verstrekt. Afwijkingen wat betreft data en naamschrijfwijze zijn uiteraard voor hun rekening.
----
bron: 'Wortelboer, een geslacht uit de Veenkoloni?n' door mr. J.P.A. Wortelboer
| Media titel | De inleiding van het boek 'Wortelboer, een geslacht uit de Veenkoloniën' |
| Media aantekeningen | |
| Eigenaar/Bron | J.P.A. Wortelboer |
| Datum | 1975 |
| Verbonden met | S1 |
| Albums | Wortelboer, een geslacht uit de veenkoloniën |
» Wortelboer, een geslacht uit de veenkoloniën «Vorige 1 2 3 4 5 6 ... 52» Volgende»